5 zinnen met ‘verplaatsen’ — voorbeelden
1.
Ze kunnen de jacht niet verplaatsen zonder eerst het anker op te halen.
2.
Voor mij stond een groot en zwaar blok steen dat onmogelijk te verplaatsen was.
3.
De kaaiman is een uitstekende zwemmer, in staat om zich snel in het water te verplaatsen.
4.
Empathie is het vermogen om je in de ander te verplaatsen en zijn perspectief te begrijpen.
5.
Het skelet van de koning lag in zijn crypte. De dieven probeerden het te stelen, maar konden de zware deksel niet verplaatsen.