7 zinnen met ‘bruin’ — voorbeelden
1.
Het verenkleed van de hen was een glanzend bruin.
2.
De hond heeft een gemengde vacht van bruin en wit.
3.
De hond rent vrolijk achter een bruin bal aan.
4.
De leraar legt de moeilijke les uit op een bruin tablet.
5.
De kok bakt vers brood en serveert het met een bruin korstje.
6.
Mijn vader schildert een prachtig landschap met een bruin dak.
7.
De kunstenaar creëert een origineel schilderij met een bruin penseelstreek.