7 zinnen met ‘voetballen’ — voorbeelden
1.
Mijn eerste speelgoed was een bal. Ik leerde voetballen met haar.
2.
In het park vermaakten de kinderen zich met voetballen en rennen over het gras.
3.
Zij oefenen elke middag op de velden met voetballen.
4.
Op zondag ga ik met vrienden voetballen op het plein.
5.
Mijn broer vindt het leuk om in de regen te voetballen.
6.
Tijdens vakantie probeerden wij nieuw talent door samen te voetballen.
7.
De coach motiveert de spelers om vrolijk te voetballen tijdens training.