Korte definitie: zigzaggen
Zich voortbewegen in een patroon van scherpe bochten naar links en rechts, zoals een slang.
5 zinnen met ‘zigzaggen’ — voorbeelden
1.
De schaatsers kiezen zigzaggen tijdens hun training op het ijs.
2.
De hond leert zigzaggen terwijl hij buiten met zijn baasje rent.
3.
De toeristen besluiten zigzaggen te doorvoeren op de kronkelende weg.
4.
De dansers demonstreren zigzaggen in het energieke culturele festival.
5.
De windmolen draait en laat de bladeren zigzaggen over de heuvelvelden.