5 zinnen met ‘leefden’ — voorbeelden
1.
Er was eens een prachtig bos. Alle dieren leefden in harmonie.
2.
De mensen uit de prehistorie waren zeer primitief en leefden in grotten.
3.
De ammonieten zijn een fossiele soort van mariene weekdieren die leefden in het Mesozoïcum.
4.
Het was jammer om te zien hoe de arme mensen onder zulke erbarmelijke omstandigheden leefden.
5.
Lang geleden, in de prehistorie, leefden de mensen in grotten en voedden ze zich met dieren die ze jaagden.