Bij deze oude operaties werd meestal het slaapbeen doorboord en soms het achterhoofdsbeen, maar nooit het pariëtale been. Een duidelijk bewijs dat de Neolithische mens zich er terdege van bewust was dat het doorboren van dit deel van de schedel een groter gevaar voor bloedingen inhield, gezien het grote aantal bloedvaten dat het bevat.
·