Korte definitie: fiets
Een voertuig met twee wielen dat je voortbeweegt door aan pedalen te trappen.
5 zinnen met ‘fiets’ — voorbeelden
1.
Gisteren zag ik de melkboer op zijn witte fiets.
2.
De fiets is een vervoermiddel dat veel vaardigheid en coördinatie vereist om te kunnen rijden.
3.
Mijn buurman hielp me mijn fiets te repareren. Sindsdien probeer ik, wanneer ik kan, anderen te helpen.
4.
Het kind was erg blij terwijl hij op zijn nieuwe fiets reed. Hij voelde zich vrij en wilde overal naartoe gaan.
5.
Toen ik een kind was, vond ik het geweldig om met mijn fiets door het bos te rijden met mijn hond die naast me rende.