5 zinnen met ‘brandde’ — voorbeelden
1.
De vlam die in de haard brandde, doofde langzaam uit.
2.
De vlam die in de open haard brandde was de enige warmtebron in de kamer.
3.
Het vuur brandde in de open haard en de kinderen voelden zich gelukkig en veilig.
4.
Het vuur brandde in de open haard. Het was een koude nacht en ik had de warmte nodig.
5.
De hitte van de zon brandde op zijn huid, waardoor hij verlangde om zich onder te dompelen in de koelte van het water.