Korte definitie: aankomen
1. Op een bepaalde plaats arriveren.
2. Gewicht toenemen.
3. In de toekomst gebeuren of plaatsvinden.
4. Iemand benaderen of naderen.
6 zinnen met ‘aankomen’ — voorbeelden
1.
Ik was altijd mager en werd gemakkelijk ziek. Mijn arts zei dat ik een beetje moest aankomen.
2.
De trein zal morgen om acht uur aankomen.
3.
Ik zie de bus langzaam aankomen in de verte.
4.
Het schip vaart naar de haven en zal aankomen.
5.
De vrachtwagen levert de goederen zodat ze op tijd aankomen.
6.
Wij verwachten dat de pakketjes vandaag in Amsterdam aankomen.