5 zinnen met ‘ziekenhuis’ — voorbeelden
1.
Er is een apotheek naast het ziekenhuis voor extra gemak.
2.
De toegewijde arts zorgde met geduld en medeleven voor zijn patiënten in het ziekenhuis.
3.
De ambulance arriveerde snel in het ziekenhuis. De patiënt zal waarschijnlijk gered worden.
4.
De ambulance arriveerde snel in het ziekenhuis nadat ze het slachtoffer van het ongeluk had opgehaald.
5.
De verpleegkundige rende om de ambulance te halen zodat deze de gewonde naar het ziekenhuis kon brengen.