1. Zich met een boot of schip over water voortbewegen.
2. Een bepaalde richting volgen of een koers aanhouden.
3. (van planten) Tot de familie van de varens behoren.
7 zinnen met ‘varen’ — voorbeelden
1.
De zeelieden varen over de oceaan in boten en zeilboten.
···
2.
De baai is een perfecte plek om met de zeilboot te varen.