8 zinnen met ‘schommelen’ — voorbeelden
1.
Het schommelen van de schommel maakte me duizelig en nerveus.
2.
Tijdens de aardbeving begonnen de gebouwen gevaarlijk te schommelen.
3.
De emoties van Julia neigen te schommelen tussen euforie en verdriet.
4.
Zij gaan elke zondag in het park schommelen en lachen.
5.
Hij geniet elke middag van het schommelen in de speeltuin.
6.
Onze buurman probeert elke avond in de tuin te schommelen.
7.
De kinderen vinden het heerlijk om in de tuin te schommelen.
8.
De jonge vogel leert uit zijn nest te schommelen op de wind.