9 zinnen met ‘eetlepels’ — voorbeelden
1.
Zij had tien eetlepels nodig om de saus te maken.
2.
Voor dit recept heb je vier eetlepels melk nodig.
3.
Hoeveel eetlepels suiker gebruik jij in je koffie?
4.
Voor de soep heb ik drie eetlepels zout toegevoegd.
5.
Er zijn nog maar een paar eetlepels over in de pot.
6.
Hij at zijn ontbijtgranen met twee grote eetlepels.
7.
Voeg enkele eetlepels honing toe voor extra zoetheid.
8.
De chef raadt aan om twee eetlepels olie te gebruiken.
9.
Roer alles met vijftien eetlepels water goed door elkaar.