5 zinnen met ‘overal’ — voorbeelden
1.
Konijn, konijn, waar ben je? We hebben overal naar je gezocht.
2.
Ik kan mijn rugzak niet vinden. Ik heb overal gezocht en hij is er niet.
3.
De elegantie en verfijning van haar kleding lieten haar overal opvallen.
4.
De stad was in volle gang tijdens de viering van het carnaval, met muziek, dans en kleur overal.
5.
Het kind was erg blij terwijl hij op zijn nieuwe fiets reed. Hij voelde zich vrij en wilde overal naartoe gaan.