De feodale heren, d.w.z. de landeigenaren, woonden in "manors", een term die niet alleen hun vorstenhuizen aanduidde, maar ook de grond die zij bezaten. Alle boeren op hun land waren hun pacht verschuldigd, aanvankelijk in de vorm van gewassen maar uiteindelijk in contanten, en ook een bepaalde hoeveelheid arbeid per jaar.
·