Korte definitie: tegelijk
Op hetzelfde moment; gelijktijdig.
7 zinnen met ‘tegelijk’ — voorbeelden
1.
De anatomie van het zenuwstelsel is complex en fascinerend tegelijk.
2.
Zij is een zeer intelligente persoon en in staat om veel dingen tegelijk te doen.
3.
Hij repareerde de fiets en belde tegelijk zijn moeder.
4.
Mijn broer en ik speelden tegelijk voetbal in het park.
5.
Wij schreven een brief en hielden tegelijk een vergadering.
6.
De docent corrigeerde de toetsen en wees tegelijk op fouten.
7.
Zij kookte een maaltijd en serveerde tegelijk verse groenten.