Korte definitie: jongleren
Meerdere voorwerpen tegelijk in de lucht gooien en vangen, zonder dat ze vallen.
6 zinnen met ‘jongleren’ — voorbeelden
1.
Met jongleren liet de jongleur de zilveren ringen draaien.
2.
Hij begon jongleren in het park tijdens warme zomerdagen.
3.
De clown verraste mensen door jongleren met felle kegels.
4.
Mijn broer leerde jongleren om zijn coördinatie te verbeteren.
5.
De circusartist oefent elke dag jongleren met kleurrijke ballen.
6.
Vrolijke artiesten bleven jongleren op het straattoneel in Amsterdam.