5 zinnen met ‘wreef’ — voorbeelden
1.
De handen van María waren vuil. Ze wreef ze schoon met een droge doek.
2.
Mr. Fitweiler wreef over de glazen van zijn bril.
3.
en dat hij hard over haar gewonde handen wreef om het vet te verwijderen.
4.
Woensdag 16, 7 uur 's morgens Jampa, een 57-jarige monnik, wreef over zijn voeten, die gehavend en pijnlijk waren.
5.
Daarna kruidde hij het met zout en peper en wreef het in met mosterd, wat kerrie, gerookt spek en tijmvlokken, plus zout en zwarte peper.